Dertig jaar schrijverschap heeft Jan Siebelink naar het moment gevoerd dat hij het verhaal over zijn vader letterlijk eens zou uitleggen. Verspreid over tal van boeken doken eerder al kardinale taferelen op uit het leven van de Velper bloemenkweker; als topoi, of staties op de kruisweg die de man moest afleggen. Schroom en angst weerhielden de zoon er tot dusver van de hele geschiedenis na te lopen.Er was dan ook nogal wat mee verbonden. De kwekerij was voor de jonge Jan een paradijstuin, met schaduwpartijen. Op een zomerdag vond hij zijn vader ter aarde gestort, het haar in de war, nauwelijks in staat zich uit te drukken. God had zich tot hem gericht.Van een oppassend man wordt vader vanaf dan een onbenaderbare calvinist, hij sluit zich aan bij een inktzwarte sekte (waarvan de leden zich afstammelingen wanen van de reformatoren, de Hervormde Kerk afwijzend als te slap), verwaarloost gezin en werk, schaft zich honderden beduimelde werkjes aan vol giftige taal, laat op zondagmorgen 'broeders' in zijn huis urenlang psalmen galmen en boetepreken afsteken, en mag van hen op zijn sterfbed niet eens van vrouw en kinderen afscheid nemen. Want 'als op het moment van de overgang een onbekeerde tot hem sprak, zou hij eeuwig verloren gaan'.Jan Siebelink is al zijn leven lang met die vader in de weer. Toen hij hem een halve eeuw geleden buiten op de grond aantrof, was hij onder de indruk. Een stem uit de hemel, dat wilde hij later ook meemaken! Echter, later nam hij afstand van het geloof en ontwikkelde hij zich als schrijver met een voorkeur voor Franse decadenten. Wellicht als reactie op - en bevrijding uit - het Hollandse calvinisme van zijn jeugd?Tot een afrekening is het nooit gekomen. In alle boeken waarin vader figureert, legt de schrijver ook mededogen, liefde en zelfs lichte jaloezie aan de dag. Zomaar geroepen worden en sedertdien beseffen deel uit te maken van een wonder: zoiets was de zoon niet gegeven.Vader wel. D?e kon aan tafel plechtig spreken over de leegte van een mensenhart: 'Die leegte is voor God bestemd. Hem moeten we een plaats bereiden, opdat het Woord in ons wone, een plaats waar het Woord zijn tent kan opzetten.'Dat steekt wanneer je vader een exclusief teken heeft gekregen dat Hij aan hem 'is begonnen'. Dat steekt nog steeds wanneer je het als oudere schrijver slechts met die leegte dient te stellen, terwijl de flonkerende po?ticale spreuk zo verlokkend moet zijn - net als de psalmregels en de citaten uit Thomas a Kempis of de predikatiën van Bernardus Smijtegelt. Het kan geen kwaad zich dit alles te realiseren voordat men begint aan Knielen op een bed violen. Het vuistdikke boek opent met honderd pagina's over de jeugd van Hans Sievez, zoals de oude Siebelink hier heet. De schrijver neemt de tijd en slaat een toon aan alsof hij een historische streekroman en een jongensboek parodieert: 'Hans Sievez begon, zonder de bescherming van wie dan ook, zijn reis door de wereld, en de wereld was groot. Hij had toekomstplannen. Met een triomfantelijke lach keek hij om zich heen. Zijn donkere haar was zacht onder een lichte windvlaag. Zijn ogen waren blauw, zijn tanden heel wit. De weg veerde, zijn pas was soepel. Zijn leven zou vorm krijgen.'Met het kleutertentje dat het Woord hier opzet, is het slecht uit kamperen gaan. Maar de lezer die daar capituleert, vrezend voor nog eens driehonderdvijftig pagina's identieke hinderlijke opgewektheid, doet zichzelf schromelijk te kort. Daarin valt namelijk alles op zijn plaats - ook de naïviteit van de eerste honderd pagina's. Uit zo'n eenvoudige wereld kwam de jonge Hans, onderstreept Siebelink door die onvolwassen stijl, en juist daarom betekende de verschijning van God op een zomerse middag, plus de statige heftigheid van de reformatorische geschriften in het kielzog daarvan, zoveel als een blikseminslag.Siebelink probeert Sievez te begrijpen. Beschrijft hoe zijn schipperende vrouw Margje haar man verliest aan dat vreemde clubje onwelriekende zwarte meneren. Bij de schildering daarvan heeft Siebelink de spotlust en afkeer niet achterwege gelaten. Machtig is het portret van Huib Steffen, een slagersknecht die 'als een Aäron de singuliere gave van het woord gekregen had en een oefenaar was geworden in de exegese', die onuitgenodigd aan de dis aanschuift en om de paar happen 'dank u, Heere' zegt. Hoezeer Margje zich ook tegen de indringers verzet, beurtelings vriendelijk en hardhandig, ze krijgt hen nooit voorgoed weg. Als Hans twijfelt en hen de deur wijst of een brief schrijft dat ze weg moeten blijven, verschijnen ze toch weer stiekem achter in de kwekerij, spreken op hem in, slijten een paar publicaties en bidden gebroederlijk zijn weerstand aan flarden: 'Ze stonden als standbeelden, midden tussen de bedden met blauwe violen, violieren. Hun lippen verbeten tot de grootst mogelijke ernst, op hun gezichten een afgekeerd zijn van alle lichtvaardigheid die de wereld rijk was, hun hoofden in het laatste zonlicht, het uitspansel boven hen een spiegel van metaal, weerkaatst in de kasruiten.'Filmisch beeld, en zie hoe ook Siebelinks woord dan meteen een vlucht neemt! Een avond carnavallen zat er niet in met die sinjeuren, maar ze wijdden zich wel aan woorden van graniet, wars van wee- en weekheid. De mens werd met wellust tot worm gereduceerd. Die verbale zelfkastijding moet tijdens de huisdiensten voor een meedogenloze mengeling van angst en genot hebben gezorgd. Een soort decadente performances, eindeloos, en met bloedige ernst gebracht.Vreest Jan Siebelink de toorn Gods, nu hij dit boek publiceert? Misschien is hij er niet geheel gerust op. Toch stelt hij zich niet als ironische, onbekeerde beterweter op. Hij betreurt zijn vaders fatale roeping, maar kan hem desondanks volgen. Dat is een prestatie. Daardoor, doordat de auteur het hoogst subtiele midden bewaart tussen afkeer, medeleven, onbegrip en respect, groeit deze reconstructie uit tot een monumentaal eerbetoon. Ook aan de taal van de vader. Met oog voor de tragikomische aspecten (broeder over de stervende Hans: 'Dit is het uur der verlatinge. Zijn ziel moet geloogd, gekastijd, getuchtigd worden.' Zegt echtgenote Margje: 'Zet er maar wat koekjes bij'), maar bovenal met voelbare huiver voor dat onachterhaalbare moment van mysterie, toen God aan vader verscheen. Vijf over halfvier 's middags. Zijn horloge was op die tijd blijven stilstaan. |