 |
BEZOEK AAN PARIJS
Afgelopen zondag liep ik, met zoon Jeroen, op een verregende buitenboulevard van Parijs – boulevard Montmorency. We bleven staan voor nummer 67. Een plaquette gaf aan dat hier de gebroeders de Goncourt gewoond hadden en op de tweede etage – de ‘grenier’ (de zolder) - op zondagmiddag salon hielden. Deze ‘salon de grenier’ werd nog fameuzer dan de ‘mardis’ van de dichter Mallarmé in de rue de Rome. Tout Paris littéraire verscheen hier vanaf vijf uur in de middag. Ik kijk naar het vervallen landhuis met uitzicht op het Bois de Boulogne. De luiken zijn gesloten, de rijk gebeeldhouwde deur is bleek uitgeslagen… ik hoor de fiacres ratelen over het plaveisel, en stilhouden. Huysmans en Octave Mirbeau stappen uit. Tourgenjev, Daudet, Zola en Mallarmé, de laatste altijd in gezelschap van zijn windhond en zijn dochter Geneviève … Een bediende leidde hen naar boven. De rez-de-chaussée was zo volgestouwd met boeken, chinoiserieën en andere zeldzame bibelots, dat er zich geen mens verroeren kon.
Jules en Edmond de Goncourt, twee behoorlijk vreemde broers. Ze waren na de dood van hun vader, die een schoenfabriek bezat en laarzen leverde aan het Franse leger, vermogend geworden en hoefden nooit te werken. Ze besloten zich aan de literatuur te wijden, begonnen samen romans te schrijven en hielden nauwgezet een dagboek bij. Avond aan avond, jaar na jaar, thuiskomend van een soirée, een bezoek aan de comedie, schreven ze hun oogst aan anekdoten en indrukken op die ze die dag verzameld hadden. Jules, de jongste, schreef en Edmond stond achter hem, leunend over zijn schouder, verbeterend, aanvullend, zodat evenmin als bij hun romans, niet is aan te geven aan wie bepaalde aantekeningen zijn toe te schrijven. Zelf noemden ze dit schrijfproces hun ‘double dictation’.
De innige samenwerking tussen beide broers is des te opvallender omdat ze in leeftijd verschilden (acht jaar) en in temperament. Edmond was traag en ernstig en Jules gevat, maar vluchtiger. Vanuit een oogpunt van smaak en sensibiliteit waren ze echter één. In gezelschap kon de een, zonder het voorafgaande gesprek te hebben bijgewoond, de argumentatie van de ander oppakken en verder uitwerken. Ze hadden dezelfde irrationele impulsen bij geluiden (langdurige huilbuien), deelden dezelfde maîtresse. Alleen, de jongste liep bij haar syfilis op die hem na een afzichtelijke agonie, in het Dagboek beschreven, op veertigjarige leeftijd velde. Edmond die hem zesentwintig jaar overleefde en in 1896 stierf, zette het Journal alleen voort.
De literaire kritiek en het publiek hadden weinig lof voor hun romans, de enkele delen Journal die tijdens hun leven verschenen werden slechts gezien als een meesterwerk van eigendunk. De overgebleven broer Edmond begreep dat de kans groot was dat na zijn dood definitieve stilte over hen beiden zou vallen en maakte plannen voor zijn nalatenschap. Het hele fortuin moest worden ondergebracht in een Académie Goncourt. Zij had tot taak een jaarlijkse prijs uit te reiken aan een talentvol auteur en het totale Journal te publiceren. De Académie werd in 1902 geïnstalleerd en Joris-Karl Huysmans, de schrijver van het brevier van de decadentie ‘A rebours’ (door mij vertaald als Tegen de keer), werd de eerste voorzitter.
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de tijd rijp geacht om het volledige dagboek te publiceren. Het laatste deel verscheen in 1959. Het Journal is een summa geworden, een van de monumentale werken uit de negentiende eeuw, een verbijsterende opeenstapeling van portretten, feiten, anekdotes, die een heel intellectueel en literair leven uitbeelden. De gemanieërde stijl van de romans – de écriture artiste - is hier totaal afwezig, want de aantekeningen werden altijd laat in de avond geschreven, altijd vers van de lever, zonder dat er tijd was voor mooischrijverij.
|